Sinds het midden van deze eeuw is er in de westerse wereld een hernieuwde belangstelling voor de verschillende uitdrukkingsvormen van religieuze verschijnselen. Deze interesse vindt haar oorsprong in:
* de opkomst en ontwikkeling van nieuwe religies, vooral in de Verenigde Staten (zoals Hare Krishna, de Scientology kerk en Divine Light Mission);
* de verspreiding van reeds gevestigde godsdiensten naar nieuwe gebieden (zoals een aantal oosterse religies naar Amerika en Europa; de pinksterbeweging, de Kerk van Jezus Christus van de heiligen der laatste dagen en Jehovahs Getuigen van de Verenigde Staten naar Zuid-Amerika en Europa; de santeria van Cuba naar de Verenigde Staten en landen van Midden-Amerika; en de umbanda van Brazilië naar Uruguay, Paraguay, Argentinië, Chili en, in mindere mate, naar de Verenigde Staten en Europa);
* de opleving van de gevestigde religies (zoals het charismatische element in evangelische groeperingen en het katholicisme, de opkomst van spiritualistische katholieke groeperingen enzovoorts.); en
* de opkomst van een uiteenlopende en niet-gecentraliseerde spirituele subcultuur (aangeduid met de naam New Age).
De interesse in religieuze verscheidenheid heeft oude discussies in de sociale wetenschappen nieuw leven ingeblazen, hetgeen heeft geresulteerd in nauwkeuriger definities van religieuze verschijnselen. Verschillende groepen sociale wetenschappers hebben gekozen voor verschillende soorten definities, vaak naar gelang van hun directe theoretische belangstelling.