Deze dogmatische benadering weerspiegelt ook de wijze waarop westerse geleerden, vanaf het begin van onze beschaving tot tamelijk recent, godsdienstige opvattingen en gebruiken analyseerden. Eeuwenlang waren de termen godsdienst en christendom praktisch synoniem. Henry Fieldings sarcastische uiting: Met godsdienst bedoel ik christendom, met christendom bedoel ik protestantisme, en met protestantisme bedoel ik de Kerk van Engeland als wettige staatskerk maakt op gevatte wijze duidelijk hoe men in die tijd dacht. Het is zelfs zo dat in sommige wetten in Engeland het joodse geloof tot 1837 niet als erkend geloof was opgenomen.
Door deze misleidend simpele maatstaf aan de hand waarvan godsdiensten werden beoordeeld, werd niet alleen een groot aantal godsdiensten buitengesloten, maar ook de deur geopend voor vervolging - wat nog eens onderstreept dat het definiëren van wat godsdienst is, veel meer is dan een kwestie van louter academisch belang. Er vloeiden ongelijke behandeling, discriminatie en zelfs geweld uit voort.
Naarmate de hedendaagse samenleving een meer wereldomvattend karakter kreeg - de zogenaamde globalisering - en zich in het westen een verscheidenheid van godsdienstige stromingen ontwikkelde, kwamen onderzoekers en anderen meer en meer tot de slotsom dat de dogmatische benadering niet zomaar kon worden toegepast op godsdiensten die niet waren gebaseerd op de joods-christelijke traditie - een vaststelling die uiteindelijk leidde tot een meer rationele zienswijze. De diepgewortelde vertekening in de traditionele benadering van het definiëren van het begrip godsdienst bleek vooral waar het ging om inheemse of oosterse religies, omdat vele daarvan hetzij geen God of Opperwezen kennen (nog daargelaten een persoonlijke schepper God), hetzij godsdienst beschouwen als een onlosmakelijk deel van het dagelijks leven.