Dat de studie van de geest en de genezing van mentaal veroorzaakte ziekten niet aan de religie mag worden onttrokken of op niet religieuze gebieden mag worden gedoogd.
En dat geen instantie, minder dan God, de macht heeft om deze rechten, openlijk of heimelijk, op te schorten of terzijde te stellen.
En wij van deze kerk geloven:
Dat de mens in wezen goed is.
Dat hij ernaar streeft om te overleven.
Dat zijn overleving afhangt van hemzelf en van zijn medemensen en van het bereiken van broederschap met het universum.
En wij van deze kerk geloven dat de wetten van God de mens verbieden:
Zijn eigen soort te vernietigen.
De geestelijke gezondheid van een ander te vernietigen.
De ziel van een ander te vernietigen of tot slaaf te maken.
Het overleven van zijn kameraden of van zijn groep te vernietigen of te verkleinen.
En wij van deze kerk geloven: Dat de geest kan worden gered en dat alleen de geest het lichaam vermag te redden of te genezen.